donderdag 4 februari 2016

Kevin Valgaeren ondervraagd door Linda Jansma

Kevin, 37 jaar oud  studeerde Nederlandse en Engelse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Leuven en specialiseerde zich in de Westerse Literatuur en de Editiewetenschap.

In 2011 debuteerde hij met het boek De Ziener; een boek waar hij vijf jaar aan werkte, en waarin hij een brug probeerde te bouwen tussen de Angelsaksische traditie van de gothic novel en het gebrek aan zo’n traditie in België en Nederland. Die poging leverde hem meteen de Schaduwprijs op die jaarlijks wordt toegekend aan het beste spannende debuut van de Lage Landen. De Ziener  werd driemaal herdrukt.
Een jaar later verscheen Bloedlijn, het vervolg op De Ziener, waarmee Valgaeren de gothic novel definitief naar de Lage Landen bracht. Wederom werd het boek door pers en lezers bedolven onder de positieve commentaren.

Na 
Bloedlijn was het best lang wachten op nieuw werk, maar  2016 begon goed door dat op 1 februari Seance verscheen. Met dit boek snijdt Valgaeren een nieuw hoofdstuk aan, zonder afscheid te nemen van de interessante mix tussen het bovennatuurlijke, het waar gebeurde, en het betere detectivewerk; de ingrediënten die lezers steeds opnieuw naar zijn boeken doen grijpen.

bron: website Kevin Valgaeren

Linda Jansma, een enorme liefhebber van de boeken van Kevin stelde de schrijver een aantal vragen:



De Ziener speelt zich voornamelijk af in Engeland. Waarom Engeland?

Groot-Brittannië is de bakermat van de gothic novel. Alle oude gebouwen hebben daar in het beste geval wel een residentieel fantoom, of, in het slechtste geval, een verhaal met een akelig tintje eraan. Als tiener verloor ik mijn hart aan de eilanden aan de andere kant van het Kanaal, en ik ben er vrij zeker van dat Enid Blyton en haar boeken over de Vijf daar veel mee te maken hebben. Ik verslond hun avonturen, die zich doorgaans afspeelden in een Engeland van wilde heidelandschappen, verraderlijke zoutmoerassen, mysterieuze kasteelruïnes en onderaardse gangen. Als tiener was ik bovendien dol op de vele kostuumfilms die in de jaren negentig van de vorige eeuw in de bioscoop verschenen; van Coppola’s Bram Stoker’s Dracula tot Lee’s Sense & Sensibility.
Ja, ik beken: ik ben een anglofiel!

Toen ik aan De Ziener begon, bestond er weinig twijfel over wat het boek moest worden. Ik wou schrijven over een klassiek Engels spookhuis, en de pastorie van Borley is nog steeds een van de best gedocumenteerde spookhuizen van Engeland. Maar omdat ikzelf geen Engelsman ben, besloot ik op veilig te spelen en van David Mayfair een Belg te maken met een Britse vader die na de dood van zijn ouders wordt geadopteerd door zijn Britse oom. Op die manier had ik meer houvast op het hoofdpersonage, en kon ik puren uit de leefwereld van mijn eigen jeugd in Turnhout.


Verhalen over vampiers zijn er niet zo veel in het Nederlands taalgebied. Wat heeft jou doen besluiten om over vampiers te schrijven? Heb je een speciale band met het griezelgenre?

Het griezelgenre is inderdaad mijn stokpaardje, maar ik kan eigenlijk heel moeilijk vertellen waarom dat precies zo is. Zoals ik al zei, kwam ik al vroeg met het genre in contact dankzij De Vijf, waarin veel elementen van het griezelgenre terugkomen, en de griezelfilms uit de jaren negentig. Ik denk dat het voor een gedeelte te maken heeft met het feit dat ik moeilijk overweg kan met de idee dat ons bestaan eindig is, met andere woorden, dat ik ooit dood zal gaan. Het griezelgenre weet daar op verschillende niveaus op in te spelen. Het confronteert de lezer en de kijker met de dood en de vleselijke beperktheid van ons bestaan, terwijl er tegelijk een escapistische component aan verbonden is, want het zijn immers niet wij, de toeschouwers, die aan stukken worden gereten of levend worden begraven, maar de andere, fictieve personages waar we ons al dan niet in kunnen herkennen. Daarnaast romantiseert het genre ook graag de dood, en dat gebeurt vaak in de gedaante van de vampier. De vampier is dood, maar heeft tegelijkertijd de dood overwonnen. Hij heeft het eeuwige leven gekregen, maar de prijs die hij daarvoor moet betalen is enorm. Hij is genoodzaakt om te moorden, maar worstelt tegelijkertijd met de eeuwigheid van zijn bestaan.
De vampier heeft mij altijd mateloos geboeid, en dan vooral de romantische, getormenteerde, melancholische vampier zoals die wordt beschreven in de geniale boeken van Anne Rice, en die teruggaat op het allereerste Engelse vampierverhaal The Vampyre van John Polidori uit 1818. De vampier is de ideale figuur om mijn eigen gevecht met de dood te verwoorden, vooral vanwege de tegenstrijdigheden waar zulke personages bol van staan: ze zijn mens en tegelijk ook niet, ze zijn dood en tegelijk ook niet, ze zijn verleidelijk en tegelijk levensgevaarlijk, ze zijn mooi en tegelijk heel erg lelijk, ze hebben het eeuwig leven en tegelijk is dat een vloek.
De vampiers uit De Ziener en Bloedlijn hebben daar allemaal iets van weg, en zijn mijn interpretatie van de figuren die Anne Rice reeds geperfectioneerd heeft. In die zin is de vampier steeds een metafoor, althans is de betere vampierverhalen.

De Ziener is gebaseerd op het spookmysterie van Borley. Hoe kwam je daar op?

Ik vertrek altijd vanuit de personages. In den beginne was er dus David Mayfair en was er een vaag idee over de plot van Bloedlijn. Maar om David te introduceren ging ik op zoek naar een interessante setting voor een proloog en die vond ik na wat opzoekingswerk in de pastorie van Borley. Dat gebouw heeft dus echt bestaan en de geschiedenis ervan, samen met de wilde verhalen, zijn erg goed gedocumenteerd. De pastorie heeft lang bekend gestaan als the most haunted house in England, en heeft ook alles wat een echt spookhuis hebben moet: spectrale verschijningen van een dwalende non, voorbijrazende spookkoetsen, klopgeesten, et cetera, et cetera. Het duurde niet lang voor ik totaal gebiologeerd raakte door de pastorie en de verschillende bewoners ervan, en ik begon te beseffen dat die materie veel te boeiend was om louter David Mayfair te introduceren. In die zin is De Ziener dus eigenlijk een uit de hand gelopen proloog geworden. Ik weet het, dat klinkt nogal patserig voor een boek van 450 bladzijden, maar het is nu eenmaal zo.

Bloedlijn is het vervolg op De Ziener. Was dat altijd al je plan, of besloot je pas later dat er een vervolg moest komen?

Ja, het is altijd de bedoeling geweest om een vervolg op De Ziener te schrijven, omdat het idee van Bloedlijn er eigenlijk eerst was. Uiteraard is er in de plot nog veel veranderd nadat ik De Ziener had geschreven, maar het initiële concept van een meisje dat afstamt van vampiers is gebleven. Daarom dat Bloedlijn zich veel sneller heeft laten schrijven. Dat boek was op een jaar tijd klaar, terwijl ik over De Ziener toch vijf jaar heb gedaan. Bovendien wou ik voor mezelf proberen of het genre van de gothic novel ook kon werken in een niet-Engelse setting.

Bloedlijn bestaat voornamelijk uit dagboekfragmenten. Waarom besloot je het verhaal op die manier te vertellen?

Ik vind dat je als schrijver de lat voor jezelf steeds hoger moet leggen. Je moet jezelf blijven verrassen en jezelf ervoor behoeden dat je niet in herhaling valt. Eén van de middelen die ik daarvoor probeer aan te wenden is het spelen met het vertelperspectief. Bloedlijn is eigenlijk een soort van briefroman, waarin verschillende personages door middel van hun brieven, dagboeken en krantenartikels het verhaal vertellen. De redenen waarom ik voor die aanpak heb gekozen, was dus in de eerste plaats de uitdaging, en het feit dat het verhaal zich daar perfect toe leende. In de tweede plaats is de briefroman een klassieke negentiende-eeuwse formule, die ook in de gothic novel werd gebezigd. De bekendste voorbeelden zijn The Woman in White van Wilkie Collins, en uiteraard Dracula van Bram Stoker. In die zin was het zeker ook een ode aan die boeken.
Voor Seance heb ik iets anders gekozen. Dat verhaal wordt door een ik-verteller neergeschreven die dood is.
In het boek waar ik momenteel aan werk, probeer ik te spelen met focalisatie. Dat wil zeggen dat er een verteller in de derde persoon aanwezig is, maar dat die alleen maar kijkt door de ogen van een bepaald personage. Dat klinkt eenvoudig, maar ik heb dat eigenlijk schromelijk onderschat. Ach ja, van de lat hoger leggen gesproken.

Er komen diverse plaatsen in je boeken voor; heb je die allemaal bezocht?

Sommige wel en sommige niet. Buiten het feit dat ik regelmatig in Londen ben, heb ik voor De Ziener geen enkele buitenlandse locatie bezocht. Ik ben bijvoorbeeld nooit in Borley geweest (de pastorie staat er trouwens niet meer) en het huis van Dorian Walpole op Melbury Road heb ik pas na de publicatie van het boek bezocht. Maar ik troost mij met de gedachte dat Bram Stoker ook nooit in Roemenië is geweest en dat Mary Shelley ook nooit de noordpool heeft bezocht.
Anderzijds zijn er veel locaties uit De Ziener en Bloedlijn die ik door en door ken. Het ouderlijke huis van David Mayfair bevindt zich op twee deuren van mijn eigen ouderlijke woonst. De flat waar Sterre Schemers woont in Bloedlijn, is de flat waar ik zelf vier jaar heb gewoond, en het Jachthuis van de Echelkuil kende ik ook al langer dan gisteren. De eigenaars hebben me al een paar keer uitgenodigd om het ook eens aan de binnenkant komen te bekijken, maar door omstandigheden ben ik daar tot nu toe nog niet geraakt.
Voor Seance ben ik verschillende plekken gaan bezoeken in Londen, waarvan de belangrijkste ongetwijfeld het huis op Gough Square is, waar Dr Francis Whitman woont en het leeuwendeel van het verhaal zich afspeelt.

Je bent geboren en opgegroeid in Turnhout. Is dat van invloed geweest op je boeken?

Dat is het zeker. Turnhout speelt een voorname rol in De Ziener en in Bloedlijn. Niet alleen is David Mayfair afkomstig uit die provinciestad in het noorden van België, maar keert hij er in Bloedlijn naar terug. Dat boek gaf me de kans om te schrijven over de stad waar ik geboren en getogen ben, waar ik de eerste vijfentwintig jaar van mijn leven heb doorgebracht.

Met Seance lijk je een andere richting in te gaan: geen vampiers meer, maar meer bovennatuurlijk. Hoe sta je zelf tegenover het bovennatuurlijke?

Als je bedoelt of ik er zelf in geloof, dan moet ik een antwoord schuldig blijven. Het is te zeggen, ofwel bestaat het bovennatuurlijke, ofwel niet. Mijn gezond verstand zegt dat alleen het natuurlijke waar is, maar mijn gevoel probeert dat constant tegen te spreken. Het bovennatuurlijke element functioneert in mijn boeken vooral als een metafoor voor de reële angsten en beslommeringen van de personages.
In Seance wordt de geschiedenis van de negentiende-eeuwse geestoproepingen gebruikt om een verhaal te vertellen over ontrouw en wantrouwen. Het is allemaal gebaseerd op ware feiten, maar uiteindelijk doet dat er niet echt toe.

Zijn er wel eens dingen waar jij als auteur tegenaan loopt?

Ik denk dat ik als auteur zelf mijn grootste vijand ben. Ik kan ervan rotten als ik te lui ben, of al ik niet exact krijg neergeschreven wat ik precies wil zeggen. Maar oefening baart kunst. Zoals ik eerder zei, probeer ik de lat altijd iets hoger te leggen, mezelf uit de dagen, beter te worden, want het is nooit goed genoeg en dat zal het ook nooit zijn.



Men noemt jouw boeken ook wel eens gothic novels. Wat moeten we daar onder verstaan?

Heel eenvoudig. ‘Gothic novel’ is de naam die men in het Engels geeft aan klassieke griezelliteratuur. Voorbeelden zijn Stoker’s Dracula, Shelley’s Frankenstein of Wilde’s The Picture of Dorian Gray. De term werd min of meer in 1764 geïntroduceerd door Horace Walpole, die de eerste echte gothic novel schreef: The Castle of Otranto. Sindsdien heeft de gothic novel vele gezichten gekregen, van schrijvers als de zusjes Brontë, Charles Dickens, Anne Rice, Roald Dahl, van tijd tot tijd Stephen King, en ga zo maar door. Het genre onderscheidt zich van het horrorverhaal doordat het accent meer op de sfeerschepping en de personages komt te liggen en minder op de spanning en de vleselijke gruwel. Terwijl in een horrorverhaal het bovennatuurlijke niet noodzakelijk aanwezig hoeft te zijn, moet het dat bij de gothic novel wel. Meestal geeft het dan een concreet beeld van de reële of irrationele angsten waarmee het hoofdpersonage te maken heeft. Maar, zoals dat het geval is met het denken in vakjes, zijn er op die vage genrevoorschriften genoeg boeken op te sommen die zich niet aan die regels houden. Vaak zijn dat trouwens de beste!

Tot slot: ergens werd eens vermeld dat je na De Ziener en Bloedlijn eerst een ander project wilde doen: een thriller in twee delen die zich in de 19e eeuw afspeelt en gebaseerd is op het verhaal van De Vliegende Hollander. Is Seance daar het eerste deel van en zo ja, betekent dat dat er een tweede deel komt?

Haha, ik wou inderdaad iets doen met het verhaal van De Vliegende Hollander, maar toen drong Seance zich op. Ik heb verschillende ideeën in mijn hoofd, maar ze dienen zich niet altijd aan in de volgorde die ik wil. Nee, Seance heeft niets met De Vliegende Hollander te maken en dat boek staat helemaal op zichzelf. Het project over De Vliegende Hollander is echter hetgeen waar ik mij nu in vastbijt. Er staan zelfs al enkele hoofdstukken van op papier, maar het verhaal is nog niet helemaal rond, en de hoofdrol is niet zozeer meer voor het meest legendarische spookschip dat ooit de zeven wereldzeeën heeft bevaren. De bedoeling is wel dat het hoofdpersonage van dat boek ook opduikt in andere verhalen. Daarnaast ben ik ook nog niet uitverteld over David Mayfair. Met hem heb ik ook nog een appeltje te schillen.

Maar, zoals ik al zei, dat kan ook weer helemaal veranderen :-)






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen